Schoolplan

2 februari 2016

Voorwoord

De Isaac Beeckman Academie (IBA) is sinds de start in 2010 in alle opzichten voorspoedig gegroeid. Er zijn nu tegen de 400 leerlingen, precies zoals beoogd. Het aantal is veel eerder bereikt dan verwacht, dankzij de relatieve populariteit van de school. Daarbij is de ontwikkeling van de leerlingen zelf buitengewoon positief. Ook daar hebben we veel doelen eerder bereikt dan verwacht:
  • Vrijwel alle leerlingen bereiken tenminste het niveau van hun basisschooladvies en velen komen daar zelfs boven uit;
  • Er hoeven nauwelijks leerlingen te blijven zitten;
  • Het overgrote deel van de leerlingen kan in de bovenbouw een dubbelprofiel halen, zodat een grotere variëteit aan vervolgopleidingen open blijft;
  • Vwo-leerlingen volgen vrijwel allemaal extra universitaire bachelor-vakken.
De toegevoegde waarde van de nieuwe school, zowel voor individuele leerlingen (kansen creëren) als voor de samenleving (talent ontwikkelen) is daarmee groot. De meer dan goede resultaten worden behaald in een prettige sociale sfeer, zowel onder leerlingen als onder docenten.

Ook op financieel en organisatorisch vlak is de stand van zaken voor de school goed. Het schoolgebouw, dat we geheel in eigen beheer hebben gerealiseerd, is af en de financiën en de administratieve organisatie zijn goed op orde.

Gezien de stevige politieke en juridische strijd die geleverd moest worden om dit te bereiken, mogen deze resultaten best opmerkelijk worden genoemd. We zijn sinds de start meerdere Kamerdebatten en liefst zes rechtelijke uitspraken verder. Op enig moment heeft zelfs de Onderwijsinspectie een enorme uitglijder gemaakt met een politiek gemotiveerd rapport. De Accountantskamer velde over dat rapport een vernietigend oordeel en gaf de inspectie zelfs een formele waarschuwing. 

Inmiddels is de politiek 'om'. De Staatssecretaris wil nu zelfs zo ver gaan om de start van nieuwe scholen vergaand te vereenvoudigen. Daarmee zet hij dan wel meteen de poort open voor avonturiers in het onderwijs en commerciële partijen. Het valt te hopen dat het ministerie en de inspectie dit in goede banen zullen leiden. 

Voorbeeld voor nieuwe scholen voor persoonlijk onderwijs

Buiten Zeeland heeft de IBA de standaard gezet voor scholen voor persoonlijk onderwijs. Met de opgedane ervaring en voortschrijdend inzicht is een vergelijkbare school opgezet in Hardegarijp (Friesland) en in Geldermalsen. Op de nieuwe scholen worden weer enkele verbeteringen in gang gezet en getoetst. Daarvan profiteert de IBA zodra verbeteringen zich bewezen hebben, omdat ze dan ook op de IBA worden ingevoerd.

Doordat het netwerk van scholen voor persoonlijk onderwijs zich langzaamaan uitbreid, ontstaan er ook voordelen van gezamenlijke inkoop en organisatie. 

Hoewel de nieuwe scholen nog maar kort bestaan en andere nog in oprichting zijn, zijn er al veel voordelen behaald. Die worden onder meer bereikt bij de organisatie van taalreizen en excursies en bij de voortrajecten voor verbouwing en inrichting van lokalen. Verder zijn er voordelen door het gezamenlijk opstellen van documenten en roosters. Ook de ontwikkeling van de eigen ICT en eigen lesmateriaal heeft baat bij deelname van meerdere scholen voor persoonlijk onderwijs, vanwege de vergelijkbaarheid van de opzet ervan: zelfde curriculum, zelfde rooster, etc. 

Het inkoopvoordeel, vaak als argument genoemd bij fusies en schaalvergrotingen, is overigens uiterst bescheiden. Het doet zich in beperkte mate voor bij de inkoop van lesmateriaal en laptops.

Ons doel: leerlingen laten groeien

Ons onderwijs is doelgericht, niet regelgeleid. In plaats van het uitvaardigen van regels en het opstellen van protocollen, maken we met alle betrokkenen liever afspraken over te behalen doelen. Bijvoorbeeld:
  • Geen pestprotocol met een checklist, maar als mentor de volle verantwoordelijkheid dat er in jouw klas geen leerlingen weggepest worden. 
  • Als vakdocent de volle verantwoordelijk dat al jouw leerlingen de afgesproken stof beheersen. 
Dat vereist dan wel dat docenten ook de randvoorwaarden krijgen waarmee ze die doelen kunnen bereiken, zoals kleine klassen en voldoende onderwijstijd. Onderwijs is een iteratief proces. Niet elke leerling begrijpt de stof met dezelfde uitleg of in hetzelfde tempo. Als docent moet je leerlingen daarom goed kennen en voldoende tijd hebben om op verschillende wijze instructie te geven. Met die randvoorwaarden is de docent vol verantwoordelijk en mogen we ook verwachten dat doelen bereikt worden. Door doelen af te spreken krijgen docenten de vrijheidsgraden voor het bereiken ervan. Een docent is geen uitvoerder van regels, maar een doelgerichte professional.

Voor goed onderwijs is veel kwalitatieve aandacht van docenten verreweg het belangrijkst. De hele organisatie van de school is er daarom op gericht de aandacht van docenten voor hun leerlingen te maximaliseren. Dat doen we doen met kleine klassen en veel tijd voor onderwijs, maar ook met veel contactmomenten (onderwijstijd). Kleine vakken met weinig lesuren proberen we dan ook te vermijden door ze te integreren  of concentreren . We willen ook dat docenten zich concentreren het werk waar zij de hoogste toegevoegde waarde hebben. Voor ander werk, van administreren tot surveilleren en van controleren tot vergaderen, zijn goede docenten te duur. Het is werk dat we waar mogelijk automatiseren, reorganiseren of uitbesteden.

We hebben grote ambitie, en maken daarvoor ook duidelijke keuzen. We willen de beste school van Nederland zijn. Niet met een sportklas, muziekklas of multimediaal ontwikkeltraject. We zijn geen sportschool, geen conservatorium en geen multimedialab. Onze leerlingen hebben voldoende tijd om deze interesses na school te ontwikkelen omdat we ze minder huiswerk meegeven. We willen de school zijn die de beste kansen geeft voor verdere maatschappelijke ontwikkeling. We streven daarom naar de meeste geslaagden, het hoogste gemiddelde aantal examenvakken en de grootste doorstroom van MAVO->HAVO->VWO->VWO+. Daar moet dan nog aan worden toegevoegd dat we streven naar een minimale 'afstroom'. Een toevoeging die overbodig zou moeten zijn, maar dat helaas niet is. Maar al te vaak halen leerlingen in Nederland op hun middelbare school niet het niveau van het basisschooladvies. Terwijl dat toch de ondergrens zou moeten zijn. 

Onze ambitie betekent dat we geen genoegen nemen met slechts 'uit elke leerling halen wat er zit'. Want: Als je er gemiddeld niet meer uithaalt dan er al in zat, wat voeg je dan als middelbare school nog toe? Wij streven daarentegen naar maximale toegevoegde waarde, waarbij we leerlingen helpen zich zo ver mogelijk te ontwikkelen. Dat doen we niet door 'de lat hoog te leggen' (nog zo'n platitude uit het onderwijsjargon) en dan passief te gaan afwachten wie er over die lat heen komt en dus slaagt. We doen het doordat docenten een actieve rol spelen bij de ontwikkeling van hun leerlingen. Leerlingen leren een goede aanloop te nemen, zich af te zetten, achterwaarts te draaien en weer in balans neer te komen. Als we dat goed met ze geoefend hebben, meten we daarna hoe hoog ze wel niet zijn gekomen.

Onderwijs is een wetenschap

We streven een wetenschappelijke benadering van het onderwijs na. Het is in het onderwijs gebruikelijk om mensen om een 'visie op onderwijs' te vragen. We vinden dit onzinnig. Een visie is slechts een subjectieve persoonlijke mening. Dat is voor onderwijs een veel te lage lat. 

Onderwijs is een toegepaste wetenschap, net als de gezondheidszorg. Daar geldt dat als een therapie of medicijn goed werkt en bewezen is, elke arts die zou moeten toepassen. Zo hoort het ook in het onderwijs te zijn. Een bewezen didactiek behoort door elke docent gebruikt te worden. Een onbewezen didactiek daarentegen zou door geen enkele docent ingezet moeten worden.

Onderwijs behoort een wetenschappelijke benadering te kennen. Minder POP ('persoonlijke ontwikkelplannen'), meer Popper. Helaas is dat in de onderwijssector ongebruikelijk. Zelfs de inspectie bezondigt zich aan subjectieve oordelen, bijvoorbeeld als ze de 'excellente scholen' moet kiezen. Dan lezen we ronkend proza over de 'excellentie profielen' van een school, waarmee extra programma onderdelen worden bedoeld voor vaak slechts een klein deel van de leerlingen. Ondertussen kan de als excellent betitelde school bedroevend veel leerlingen onder hun basisschooladvies laten uitkomen.

Voor een wetenschappelijke benadering is de verzameling van data essentieel. Als statistisch veel leerlingen op meerdere van onze scholen opgave 4 van hoofdstuk 9 slecht maken, dan kunnen we conclusies aan verbinden: de opgave is onduidelijk of de lesstof wordt in hoofdstuk 9 niet goed uitgelegd. Als dit probleem zich op de ene school wel voordoet, maar op de andere niet, dan kan de docent van die ene school allicht te rade gaan bij zijn collega's op de andere scholen: hoe leggen die het uit?

De opzet van een netwerk met identieke scholen zorgt ervoor dat onderling veel ervaring uitgewisseld kan worden. Doordat de scholen hetzelfde curriculum, klassenomvang, schaalgrootte, rooster, lesmethoden etc. hebben, zijn ze immers goed vergelijkbaar.

De aanleg van de verzameling data kunnen we deels zelf met de inzet van ICT. Niet omdat we zo geïnteresseerd zijn in de nieuwste gadgets (de voorkant), wel in het vermogen om systematisch gegevens te verzamelen (de achterkant). Daarnaast zullen we structureel gebruik maken van identieke toetsen op de verschillende scholen, zowel om vergelijking mogelijk te maken als om de omvang van de gegevensverzameling op zodanig niveau te brengen dat statistisch relevante conclusies mogelijk zijn. Tenslotte zullen we gezamenlijk, met de SvPO optrekken om politieke invloed aan te wenden om zo mogelijk ook landelijk de onderwijskunde op meer wetenschappelijke basis te brengen. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden die een betere ontsluiting van data over leerlingen in Nederland kan bieden.

Maar we houden het simpel

Wetenschappelijke ambitie wil niet zeggen dat we de zaken formalistisch en omslachtig maken. Toetsing is voor een belangrijk deel ook gewoon een praktische houding: bereid zijn om de keuzes en de veronderstellingen die je maakt te controleren.

We houden het simpel: voor ons doel moeten we zoveel mogelijk middelen binnen halen en die zo effectief mogelijk besteden. 

Dit schoolplan beschrijft hoe we dat doen.

Doel van dit schoolplan

Dit schoolplan is voor de IBA een kwaliteitsinstrument met interne en externe consequenties. Extern is het een middel tot dialoog met onze omgeving. We leggen hiermee verantwoording af voor de doelstellingen die volgen uit onze ideeën over onderwijs. Intern gebruiken we dit plan om:
  • betrokkenen inzicht te geven in onze belangrijkste denkbeelden;
  • betrokkenen een overzicht te geven van de beoogde doelen en activiteiten de komende schooljaren;
  • de ontwikkeling van de organisatie in de komende jaren te kunnen plannen en aan te sturen.
Voor wie vorige schoolplannen heeft gelezen (het eerste dateert van 2009, het tweede van 2012), zal dit nieuwe schoolplan bekend voorkomen. Er is weliswaar het nodige aangepast, maar de aanpassingen zijn vrij voorspelbaar. De IBA heeft zich als school inmiddels bewezen en het gaat er nu om alert te zijn en telkens verbeteringen toe te passen waar mogelijk. Doordat er telkens nieuwe scholen voor persoonlijk onderwijs bijkomen, is er ook telkens een zeer concrete aanleiding om te evalueren en te bezien wat er mogelijk beter kan. Enkele van de doorgevoerde verbeteringen zijn nu ook in dit schoolplan opgenomen, dat overigens kort na de totstandkoming van het schoolplan voor de school in Geldermalsen is herschreven.

Samenstelling en onderhoud van dit schoolplan

Het concept van dit schoolplan is opgesteld door het bestuur van de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs. Hiervoor is advies gevraagd aan het bestuur en zijn de resultaten beoordeeld van de eerste jaren van de school. Het is een plan dat een reeks van jaren beslaat en zal daarom jaarlijks geactualiseerd worden. Dit gebeurt na rapportage door het bestuur van de IBA over de tussentijdse resultaten en waar nodig na nader onderzoek, bijvoorbeeld naar de mening van betrokkenen bij de school.

Scholen voor persoonlijk onderwijs

De IBA is een zelfstandige stichting en wordt geleid door een onafhankelijk bestuur. De school biedt persoonlijk onderwijs en is daartoe aangesloten bij de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO). Dit is een ideële stichting die onderwijs stimuleert dat nauw aansluit bij de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen en dat leerlingen zoveel mogelijk begeleiding van vakdocenten garandeert. De SvPO helpt aangesloten scholen daartoe met:
  • financiële middelen;
  • organisatorische ondersteuning;
  • administratieve ondersteuning;
  • organisatie van docenten in vakgroepen;
  • ICT en geautomatiseerd leersysteem;
  • schoolgids;
  • schoolplan.
Tot de aangesloten scholen behoren behalve de IBA onder meer het Tjalling Koopmans College (Hurdegaryp en Harderwijk) en de Ida Gerhardt Academie (Geldermalsen). De aangesloten scholen committeren zich tot het volgen van de organisatiewijze die de SvPO in overleg voorschrijft. De kern van de filosofie van SvPO is dat met een goede organisatie meer middelen beschikbaar komen en deze middelen effectiever ingezet worden. Een typisch voorbeeld is de eis dat de school gedurende het jaar langer geopend is. Dit zorgt namelijk voor een effectiever gebruik van het schoolgebouw en, door vakantiespreiding, tot gemiddeld kleinere klassen. De SvPO biedt verder organisatorische ondersteuning, waardoor bestuur en management van de deelnemende scholen zo klein mogelijk kunnen blijven.

Met didactische en pedagogische vragen heeft de SvPO bemoeienis waar het gaat om de coördinatie om gezamenlijke inkoopvoordelen te behalen.

Vakgroepen

Vakdocenten werkzaam bij scholen die deelnemen in de SvPO zijn georganiseerd in vakgroepen. Deze zijn het instrument voor een wetenschappelijke benadering van het onderwijs. De vakgroepen hebben de volgende taken:
  • bepalen van de te gebruiken lesmethode;
  • vaststellen van lesmateriaal;
  • invulling geven aan het geautomatiseerde leersysteem;
  • ontwerpen van lessen;
  • opstellen van instructies voor controleurs van opdrachten en toetsen;
  • vergelijken van uitkomsten en resultaten;
  • falsifieerbare doelen stellen.
Voor elk eindexamenvak is er een aparte vakgroep werkzaam. De vakgroep staat onder verantwoordelijkheid van een door de SvPO aangewezen voorzitter.

Kernwaarden

  • We houden de organisatie en het leerproces zo eenvoudig mogelijk.
  • We werken niet regelgeleid, maar doelgericht.
  • We beschouwen onderwijs als een toegepaste wetenschap. We baseren de organisatie en het leerproces op getoetste kennis. Fingerspitzengefühl is niet goed genoeg – leerlingen zijn geen proefkonijnen.
Deze kernwaarden zijn niet het enige dat belangrijk is, maar veel andere waarden zijn van deze kernwaarden af te leiden. Een afgeleide waarde is bijvoorbeeld dat we de menselijke maat houden, met een overzichtelijke school en met kleine klassen. Het is een afgeleide omdat het de organisatie simpel houdt. Bovendien is aangetoond dat veel tijd en aandacht van docenten een gunstig effect heeft op de leerresultaten. 

Ook veiligheid is een belangrijke afgeleide waarde. Het hangt samen met de menselijke maat en is een randvoorwaarde voor een doelgerichte organisatie.

Een laatste voorbeeld van een afgeleide waarde is de heldere en tijdige communicatie tussen alle betrokkenen, in het bijzonder tussen docenten, ouders en leerlingen. Er wordt hiervoor zelfs een overeenkomst tussen betrokkenen vastgelegd als de leerling op school komt. Heldere en tijdige communicatie zijn belangrijke waarden, maar toch slechts afgeleid van de kernwaarden. Goede communicatie is namelijk een randvoorwaarde voor een doelgerichte organisatie en leerproces.

Als aandachtspunt geldt dat het streven naar eenvoud er niet toe mag leiden dat we gemakzuchtig voorbij gaan aan complexe zaken.

Kwaliteitszorg

Centraal bij de bewaking van de kwaliteit van het leerproces staat de automatisering ervan. In het geautomatiseerde leerproces zijn doorlopende terugkoppelingen opgenomen, waardoor verantwoordelijken direct informatie verkrijgen over problemen en mogelijke verbeteringen van zowel lessen, opgaven, leerplanning, leerlingen en docenten. De terugkoppeling wordt in eerste instantie geanalyseerd door de redactie van de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO).

We hebben een bijzondere medezeggenschapsraad (MR), waarin alle leerlingen, ouder en docenten zitting en inbreng hebben. Dat heeft ervoor gezorgd dat er in de beginfase snel en makkelijk kritiek, suggesties en verbeteringsvoorstellen aangedragen konden worden door alle betrokkenen. De werking van de MR zal nog verder verbeterd worden door ook een vorm van vertegenwoordiging te introduceren. Verder wordt de MR nog meer geïntegreerd in het ICT-portaal. Zo makkelijk als dat leerlingen hun planning kunnen checken, ouders de voortgang inzien en docenten beoordelingen en opmerkingen vastleggen, moet het ook zijn om een inbreng in de MR te hebben.

Voor de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs en het zonodig bijsturen van het onderwijs is de intensieve verzameling van data over de voortgang van leerlingen via onze eigen ICT zeer effectief gebleken. We zullen dit verder verbeteren, mede mogelijk gemaakt door de toetreding van nieuwe scholen voor persoonlijk onderwijs.

Die laatste brengen vanzelf een zo mogelijk nog belangrijk vorm van kwaliteitsborging in vanwege de vergelijkbaarheid met de IBA. Zo bleek bijvoorbeeld in Friesland dat de planning van het curriculum aangescherpt kon worden, waardoor leerlingen nu meer verdieping krijgen. De scholen versterken elkaar doordat op elk punt het voorbeeld van de beste school leidend is. Voor de SvPO is dit dan ook aanleiding geweest om nog enkele aanvragen voor nieuwe scholen in te dienen, omdat verwacht mag worden dat dit effect sterker wordt naarmate er meer scholen vergeleken kunnen worden.

Onderzocht zal worden hoe ook de medezeggenschapsraden van de verschillende scholen met elkaar verbonden kunnen worden. Kritiek, voorstellen en ideeën met betrekking tot de ene school zijn immers vaak ook relevant voor de andere scholen. 

Tot slot zit er een natuurlijk evaluatieproces in het periodiek herschrijven van dit schoolplan. Ook dat maakt deel uit van de kwaliteitszorg. Het streven is daarbij om de schoolplannen van de verschillende scholen voor persoonlijk onderwijs op elkaar af te stemmen. Dat is immers een randvoorwaarde voor de vergelijkbaarheid van de scholen.

Voortgangstoetsen van SvPO

Er is op de IBA tot nu toe gebruik gemaakt van zogenaamde voortgangstoetsen van het Cito. Met deze jaarlijkse toetsen kon bewaakt worden dat de ontwikkeling van leerlingen voldoende was. De onafhankelijke toetsing heeft zijn waarde gehad bij de opbouw van de school, maar kent ook belangrijke tekortkomingen. Ten eerste wijzigt het Cito de toetsen regelmatig in zodanige mate dat de resultaten niet meer met die uit het verleden vergelijkbaar zijn. Het laatste deed zich dit voor in 2015. Daardoor is de ontwikkeling die de school door de jaren heen doormaakt moeilijk te volgen. Ten tweede toetst het Cito meer onderwerpen niet dan wel. De ontwikkeling op tal van gebieden, zoals Geschiedenis, Frans en Filosofie worden niet meegenomen. Dat wordt voor de scholen voor persoonlijk onderwijs steeds meer een probleem naarmate het curriculum verder wordt uitgebreid. Door vergroting van de onderwijstijd en door betere benutting daarvan zal er nog een flinke uitbreiding gerealiseerd worden.

Om deze redenen zal de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs (SvPO) eigen voortgangstoetsen ontwikkelen. Toetsen die het hele curriculum van de scholen voor persoonlijk onderwijs dekken. Bijkomend voordeel is dat deze toetsen deels in de plaats kunnen komen van toetsen die nu door docenten worden afgenomen. Dat levert winst op in de onderwijstijd, aangezien het afnemen van de Cito-toetsen nu ruim een dag in beslag neemt.

Naar verwachting worden de toetsen van SvPO gerealiseerd zodra er vijf scholen gestart zijn (in verband met de ijking van de toetsen is het van belang dat er voldoende leerlingen uit verschillende regio's meedoen). Dit zal vermoedelijk vanaf 2017 het geval zijn.

Automatisering leerproces

Een centrale rol in onze didactische opzet is de automatisering van het leerproces. Dat betekent voor de goede orde niet dat leerlingen alleen maar achter de computer zitten. We maken gewoon gebruik van schoolboeken en leerlingen krijgen ook gewoon les. Een geautomatiseerd leerproces betekent dat zowel planning als uitvoering van het gehele curriculum geautomatiseerd verloopt. Er is een planning voor het uit te voeren werk en het werk wordt continu in het systeem vastgelegd, beoordeeld en geanalyseerd. Initieel staat de planning vast, maar vanaf leerjaar 2 krijgen leerlingen steeds meer zeggenschap en vrijheid bij het zelf plannen. Voorwaarde is wel dat ze de planning vast leggen in het systeem en zich vervolgens aan hun eigen planning houden. 

Docenten moeten zich voor het onderhoud van het leersysteem verantwoordelijk voelen. Tekortkomingen signaleren en waar nodig verbeteringen doorvoeren. Omdat het uitgesloten is dat het leersysteem ooit perfect is, valt de rol van docenten mede te toetsen aan de hand van hun feitelijke inbreng. Dat wil zeggen dat ze regelmatig verbeteringen aandragen voor het leersysteem.

Het geautomatiseerde systeem kenmerkt zich door de lage technische eisen en een minimaal onderhoudsmodel: Keep it stupid simple. Er zijn laptops op school voor het aantal gelijktijdig aanwezige leerlingen plus enkele laptops in reserve. De laptops blijven op school en zijn alleen al daarom minder aan slijtage onderhevig. Exemplaren die het niettemin begeven worden vervangen door een reserve exemplaar. Periodiek worden kapotte laptops opgehaald. 

Inhoudelijk tenslotte streven we naar een sterke mate van didactische integratie van de vakken. Leerlingen moeten een samenhangende theorie (paradigma) van de wereld krijgen waarmee ze nieuwe informatie kunnen verwerken, plaatsen en op waarde schatten. Daarvoor moeten vakken goed op elkaar zijn afgestemd. Dit betekent beslist niet dat we streven naar projectmatig onderwijs. In de praktijk blijkt dergelijk onderwijs in hoge mate afhankelijk te zijn van toevalligheden (interesse van deze of gene docent) en onderhevig aan wisselingen (ene schooljaar project X, volgende schooljaar Y). Het aanbieden van een coherent curriculum betekent dat vakken structureel en niet slechts projectmatig geïntegreerd moeten zijn. Een paar voorbeelden:
  • de gebiedende wijs kan als vakoverstijgend onderwerp worden aangereikt;
  • de planning van biologie en scheikunde behoort op elkaar te zijn afgestemd;
  • leerstof van geschiedenis kan behalve in het Nederlands ook in andere talen aangereikt;
  • filosofie omvat mede Maatschappijleer en Anw.

Permanente monitor (leerlingvolgsysteem)

Het geautomatiseerde leerproces biedt mede een ultiem leerlingvolgsysteem. Omdat een zeer groot deel van het schoolwerk wordt vastgelegd is in essentie sprake van een systeem dat leerlingen tot letterlijk op de minuut volgt – zelfs een tijdelijke dip in de concentratie kan opgemerkt worden. De mogelijkheden van het systeem bergen gelijk ook een belangrijk gevaar in zich: hoe ervoor te zorgen dat de informatie ook effectief gebruikt wordt? De risico’s zijn tweeërlei. Er is een risico van overgebruik, waarbij te onpas gegevens uit het systeem gebruikt worden. Er is anderzijds het risico van ondergebruik, waarbij de gedachte postvat dat het systeem het allemaal wel vanzelf doet. In principe dekt het geautomatiseerde leersysteem het kerncurriculum af. Dit zorgt ervoor dat docenten hun hoogste toegevoegde waarde kunnen leveren door lessen te verzorgen over de moeilijke onderwerpen en leerlingen waar nodig extra aandacht te geven. De potentie van een enorme meerwaarde heeft echter het gevaar dat dit als overbodige luxe terzijde valt. Het is aan het bestuur en de directie ervoor te zorgen dat het geautomatiseerde leerproces wordt verankerd in de organisatie op een wijze die deze risico’s het hoofd biedt. In de toetsresultaten wordt zichtbaar of leerlingen meer beheersen dan alleen het kerncurriculum.

Basisscholen beschikken over leerlingvolgsystemen. Weliswaar niet op de wijze en de mate waarin onze school dat heeft, maar het is voor inzicht in de leerling zinvol om de enorme ervaring die de basisschool al met een leerling heeft, vast te leggen. We kiezen er niet voor om deze informatie automatisch te importeren. Dat geeft een te groot risico dat de informatie nauwelijks bekeken of slechts ter kennisgeving wordt aangenomen. In plaats daarvan maakt de mentor een samenvatting van de informatie van de basisschool en deze samenvatting wordt als start in het leerlingvolgsysteem van onze school ingevoerd.

Didactiek

We willen onderwijs bieden dat:
  • leerlingen een samenhangende theorie (paradigma) van de wereld geeft waarmee ze nieuwe informatie kunnen verwerken, plaatsen en op waarde schatten;
  • het kritisch vermogen van leerlingen ontwikkelt, zodat ze gefundeerde eigen keuzen kunnen maken en ideeën kunnen toetsen;
  • inzicht geeft in het eigen denken en in het denken van anderen;
  • goede mogelijkheden biedt om door te groeien naar hogere schoolniveaus (Mavo -> Havo -> Vwo -> Vwo+);
  • uitstekende voorbereiding geeft op de vervolgopleiding.
Dat willen we bereiken met:
  • kleinschalige opzet (gemiddeld ca. 16 leerlingen per klas);
  • veel onderwijstijd (ca. 1.200 uur per jaar);
  • veel persoonlijke aandacht van docenten;
  • les op maat door indeling van klassen naar niveau en tempo;
  • verbeterde aansluiting op primair onderwijs;
  • volgen van propedeuse vakken in de bovenbouw.
De verbeterde aansluiting op het primair onderwijs willen we bereiken door ons lesmateriaal, ICT en docenten (detachering) aan basisscholen ter beschikking te stellen. Omgekeerd zouden ook leerlingen in het primair onderwijs al onderwijs van onze middelbare school aangeboden kunnen krijgen. Onder meer Filosofie en Spaans komen hiervoor in aanmerking.

Zorg en begeleiding

Bij de zorg en begeleiding bouwen we voort op de menselijke maat van onze organisatie. Goede zorg vraagt om goed persoonlijk contact, in het bijzonder tussen mentor, leerling en ouders. Hoewel we daarmee waken voor overdreven formalisering, speelt het geautomatiseerde leersysteem wel een belangrijke rol bij de ondersteuning van dit contact. We streven naar:
  • integrale administratie van schoolprestaties, sociale ontwikkeling en ontwikkelingen in de buitenschoolse situatie;
  • ruime aandacht van de mentor voor elke leerling;
  • opbouw van een goede relatie tussen mentor en ouders;
  • doorlopende communicatie tussen school en thuis (o.a. met de verdere inrichting van het ouderportaal);
  • actief betrekken van ouders bij de school – ook vanuit perspectief mede bestuursverantwoordelijkheid te krijgen;
  • gebruiken van ouders voor de ondersteuning van het onderwijs (o.a. handreikingen voor betrokkenheid bij het onderwijs via ouderportaal).

Veiligheidsmonitor

Veiligheid op school is belangrijk. Het Ministerie van OCW heeft een landelijke veiligheidsmonitor laten ontwikkelen en uitvoeren. Centraal in de veiligheidsmonitor staan:
  • de gevoelens van (on)veiligheid bij leerlingen en personeel;
  • de varianten van en maten waarin geweld feitelijk wordt ervaren door slachtoffers, daders en getuigen; 
  • het veiligheidsbeleid en de effectiviteit daarvan volgens leerlingen, personeel en leiding. 
Wij menen dat de contacten van docenten en in het bijzonder mentoren met leerlingen zodanig zijn dat zij zorgen voor een goede monitoring van de veiligheid. Een monitoring die kwalitatief dieper en frequenter is dan een periodieke monitor. De contacten zijn intensief vanwege de relatief kleine klassen en meer onderwijstijd. Daarnaast is van belang dat van docenten wordt verlangd dat ze hun 'overige taken' zoals nakijkwerk en lesvoorbereiding op school uitvoeren. Gedurende deze tijd zijn docenten zichtbaar aanwezig, temeer daar er geen docentenkamer op school aanwezig is. De zichtbaarheid zorgt voor een nog steviger aanwezigheid van docenten op school en versterkt zowel de monitoring van de veiligheid als de veiligheidssituatie zelf.

Isaac Beeckman Academie

De IBA is een scholengemeenschap voor Havo, Vwo en Gymnasium. Leerlingen met Vmbo-t advies kunnen aangenomen worden als aannemelijk is dat zij met extra inspanning en aandacht op Havo-niveau kunnen komen.

De school streeft er naar per jaar 70 tot 80 leerlingen aan te nemen. Vanuit oogpunt van sociale cohesie streeft de school er naar om zoveel mogelijk leerlingen in het 1e leerjaar aan te nemen. Leerlingen van een leerjaar zijn daardoor hun gehele schoolperiode bij elkaar. Elk leerjaar heeft zoveel mogelijk een eigen deel van het schoolgebouw waar het vrijwel alle lessen en werkbegeleiding krijgt. Vooral voor de 1e en 2e klassers levert dit een bijdrage aan het gevoel van veiligheid.

Als de school volgroeid is, dat wil zeggen dat alle leerjaren aanwezig zijn, zal de school ca. 490 leerlingen herbergen. Bij die omvang heeft de school 21 voltijds vakdocenten nodig. Er is een sterke voorkeur voor het aannemen van docenten die tenminste 3 dagen per week willen werken. Dit vereenvoudigt de organisatie, zorgt voor meer contactmomenten met leerlingen en verlicht de coördinerende rol van de leiding. Verder kunnen docenten die dat willen enkele organisatorische managementtaken krijgen. Dat biedt hen een goed betaalde uitbreiding op hun functie.

Doel is de overhead zo beperkt mogelijk te houden, maar ook te onderstrepen dat de status wordt toegekend aan het docentschap – niet aan het schoolleiderschap. De schoolleiding wordt administratief ondersteund vanuit de SvPO. De schoolleiding wordt benoemd door het bestuur van de school en is door het bestuur verantwoordelijk gesteld voor het bereiken van de door het bestuur gestelde doelstellingen zoals opgenomen in dit schoolplan. De schoolleider kan volgens de statuten geen zitting hebben in het schoolbestuur.

Met de geringe overhead wordt het mogelijk om het schoolleiderschap in deeltijd te vervullen. Daardoor kunnen we toe naar een organisatie met bovenschoolse schoolleiders. De leiding van de scholen voor persoonlijk onderwijs komt daarmee in handen van een klein team van bovenschoolse schoolleiders die elk twee scholen leiden. Deze opzet verbetert de uitwisseling van ervaring tussen de scholen. Bovendien kunnen binnen het team van schoolleiders ook kennis en ervaringen worden uitgewisseld. Op deze wijze benutten we de kansen van een keten van scholen volgens hetzelfde schoolconcept optimaal.

Het werk vindt grotendeels plaats op school. Leerlingen krijgen weinig huiswerk mee, met uitzondering van leeswerk voor een literatuurlijst of bronnenstudie voor een werkstuk of scriptie. Deze opzet heeft verschillende redenen: 

Didactisch:
  • op school hebben leerlingen hun docent bij de hand, thuis niet;
  • garandeert goed gespreide uitvoering van het werk (voorkomt stampen op laatste moment);
  • zorgt voor continue monitoring van werkwijze en voortgang;
Organisatorisch:
  • vereenvoudigt de automatisering van het leren;
  • minder tentamens nodig omdat de controlefunctie vervalt (zo is het niet nodig te toetsen of leerlingen woordjes hebben geleerd als ze dit aantoonbaar op school hebben gedaan);
Financieel:
  • bespaart op de aanschaf van schoolmateriaal.
Centraal in de organisatie staan docenten in relatie tot hun klas. Een klas omvat gemiddeld niet meer dan 16 leerlingen. Gezien de gewenste instroom zijn er 5 klassen per leerjaar. Deze worden, om docenten beter in staat te stellen hun lessen op maat te snijden, naar niveau ingedeeld. In principe is er per leerjaar een klas MAVO+, HAVO, HAVO+, VWO en VWO+. Tenminste jaarlijks wordt onder verantwoordelijkheid van de schoolleiding een nieuwe indeling gemaakt. De lessen worden per klas gegeven. Alleen voor het maken van individuele opdrachten (het ‘huiswerk’) kunnen klassen worden samengevoegd.

Meerwaarde van een netwerk van scholen

Dat we deel uitmaken van een netwerk van scholen die elkaar onderling versterken en ervaring en kennis uitwisselen is van grote waarde voor onze wetenschappelijke benadering van het onderwijs. De nieuw gestarte Ida Gerhardt Academie benut direct de opgedane ervaring van de andere scholen. De nieuwe school biedt daarbij de kans om het effect van een aantal verbeteringen te toetsen:
  1. Versterking van vreemde talen in de eerste leerjaren, waaronder uitbreiding van de onderwijstijd voor Frans. Die taal is verplicht voor onze leerlingen vanwege de versterking van de taalontwikkeling. Het geeft een Romaanse taal naast de Germaanse (Engels, Nederlands, Duits) en daarmee een basis voor de tweede grote taalfamilie. Bovendien geeft het Havo-leerlingen de kans door te groeien naar Vwo, waar een tweede taal verplicht is. Veel leerlingen vinden Frans echter lastig. Het eerste jaar gaat de onderwijstijd voor Frans daarom met 50% omhoog. We doorlopen daardoor het onderbouw curriculum sneller en zorgen ervoor dat leerlingen beter beslagen ten ijs komen op hun taalreizen naar Frankrijk. Door de uitbreiding in het eerste leerjaar komt er in het derde leerjaar veel tijd vrij voor extra spreekvaardigheid en culturele verdieping.
  2. Leesvaardigheid Nederlands en Engels is een uiterst belangrijk aandachtspunt. Leerlingen hebben er bij alle vakken last van als dit niet goed op orde is. In het derde leerjaar wordt de onderwijstijd uitgebreid met een extra blok waarin leerlingen een grote variëteit aan teksten aangeboden krijgen. Daaronder literatuur en poëzie, maar ook journalistieke en (populair) wetenschappelijke teksten.
  3. De resultaten op Wiskunde zijn uitstekend en een ongekend deel van onze leerlingen kan voor Wiskunde B kiezen. Het kan echter nog beter. Nog altijd zijn er leerlingen die geen Natuurkunde of Economie willen kiezen vanwege een tekort op Wiskunde. Dit willen we voorkomen door in het tweede leerjaar 50% meer onderwijstijd aan Wiskunde te besteden. De tijd zal met een uitbreiding van het curriculum ingevuld worden, waarbij vooral toepassingen aan de orde komen. Voor de Vwo-leerlingen zal daarbij aan gewenning aan Engelse terminologie in Wiskunde gewerkt worden.
  4. De extra onderwijstijd wordt vrijgespeeld door het wekelijkse sportblok te vervangen door regelmatige sportdagen op de vijfde schooldag in de week. Met die sportdagen wordt de logistiek rond sport (fietsen naar de gymzaal en weer terug, omkleden, niet-zo-fris-meer-ruiken-in-de-klas, etc.) vereenvoudigd. Sportdocenten kunnen hiermee bovendien beter de accenten leggen met hun sportklassen die immers naar sportinteresse zijn ingedeeld. Nu is de inrichting van de gymzaal vaak voor een hele dag leidend voor wat er gedaan wordt met iedere klas - ongeacht de sportinteresse van die klas. Dat probleem doet zich niet voor met sportdagen.
Bovenstaande aanpassingen worden geëvalueerd door de vergelijking van resultaten met de beide bestaande scholen. Gekeken zal worden of de baten opwegen tegen de extra kosten die de aanpassingen met zich meebrengen. Als dat het geval is, zullen de wijzigingen ook op de IBA doorgevoerd worden.

Positionering in de regio

Als eerste middelbare school in Kapelle is de Isaac Beeckman Academie een voor de hand liggende keuze voor leerlingen uit de gemeente Kapelle-Biezelinge. Verder kan de school voor leerlingen uit de gemeenten Reimerswaal en Borsele een goed alternatief zijn, omdat het de dichtstbijzijnde middelbare school is. Voor leerlingen uit de verdere regio (bijvoorbeeld Goes, Bergen op Zoom, e.a.) zijn er andere alternatieven dichterbij dan de Isaac Beeckman Academie. De school zal moeten ‘concurreren’ met de unieke eigenschappen: persoonlijk onderwijs, ruime onderwijstijd en kleine klassen. Met die eigenschappen moet het ook mogelijk zijn om te concurreren met het groeiende particuliere onderwijs.

Doel van de scholen voor persoonlijk onderwijs is de 'menselijke maat' te brengen in het onderwijs. De scholen zijn mede een antwoord op de fusiegolf in het onderwijsveld die geresulteerd heeft in grote en vaak onpersoonlijke onderwijsinstellingen. De onvrede daarover resulteert in een flinke groei van het particulier onderwijs in Nederland. Die groei bergt echter het risico in zich dat er naar Amerikaans voorbeeld een tweedeling ontstaat. Goed persoonlijk onderwijs is daar bijna alleen bereikbaar voor wie het kan betalen. Die ontwikkeling vinden wij onwenselijk en de nieuwe scholen laten zien dat het wel degelijk mogelijk is om voor iedereen toegankelijk persoonlijk onderwijs te bieden. Vanuit het publieke bestel beconcurreren we het particuliere onderwijs waar zoveel vraag naar is. Vanaf de start willen we concurreren met particuliere lycea, dus particuliere instituten die onderwijs in alle leerjaren aanbieden. De omvang van deze ‘markt’ is overigens beperkt. Nadat onze school volgroeid is (dwz. alle leerjaren omvat) en examenklassen heeft, willen we ook gaan concurreren met het particuliere onderwijs voor examenkandidaten. Vaak gaat het daarbij om herkansers, die eerder op een andere school niet (volledig) zijn geslaagd en nu via het staatsexamen alsnog een diploma willen behalen.

Een andere ontwikkeling als gevolg van scholenfusies is de wederopstanding van het categoraal gymnasium. Het is vooral weer populair geworden omdat het een kleinschalige en veilige leeromgeving biedt, maar het was daarvoor vrijwel afgeschreven. Latijn en Grieks zijn al lang niet meer voor iedereen relevant en een leerling die eenmaal op een categoraal gymnasium zit, is gedwongen beide vakken in het pakket te houden. Besluit een leerling toch Latijn of Grieks te laten vallen, dan moet de leerling van school af. Het categoraal gymnasium kent ook een sterke exclusiviteit met het risico dat leerlingen zich in hun sociale omgang tot alleen gelijkgestemden beperken. Dat kan een beperking opleveren in hun latere sociale ontwikkeling en vermogen om breed contact te leggen.

In het algemeen moeten scholen met persoonlijk onderwijs goed kunnen concurreren met zowel particuliere scholen als categoriale gymnasia. Er zijn particuliere scholen in Bergen op Zoom (Lucas), Goes (Lucas) en Hellevoetsluis (Inst. Westvoorne) een categoriaal gymnasium is er in Bergen op Zoom (Juvenaat).

Werven van docenten

Het aantrekken en behouden van goede docenten is een cruciale factor voor de kwaliteit van het onderwijs. We streven naar een herwaardering van het beroep. Ooit had een docent een vergelijkbare status als een advocaat, dominee of andere notabele, maar dat zijn lang vervlogen tijden. Wij willen die status weer op dit niveau krijgen.

Niet dat we terug willen naar de tijd van de docent als koning in de klas. We willen er wel naar toe dat de docent weer baas is in de klas. Om dat te bereiken organiseren we de school niet meer regelgeleid, maar doelgericht. Door doelen af te spreken krijgen docenten ook vrijheidsgraden voor het bereiken ervan. Net als de advocaat is de docent dan niet slechts een uitvoerder van regels, maar een doelgerichte professional. 

Een excellente advocaat zal meer en moeilijker zaken krijgen. Een excellente docent kan moeilijker stof of lastiger lerende leerlingen aan. Een carrière als docent hoeft dus niet te zijn het verwerven van een management functie en minder lesgeven. Het is beter lesgeven en daarmee meer verdienen.

Het kerncurriculum krijgen onze leerlingen vanuit het geautomatiseerde leersysteem aangereikt. De bedoeling daarvan is niet om het onderwijs op een koopje te geven, maar om ervoor te zorgen dat onze dure docenten maximale toegevoegde waarde kunnen leveren. Dat doen ze niet met het overhoren van woordjes of huiswerk, niet door het registreren van afwezigheid en evenmin met het helpen bij het plannen van het schoolwerk. Dat zijn stuk voor stuk automatiseerbare zaken. Door die daadwerkelijk te automatiseren, kunnen docenten zich concentreren op de moeilijkste vormen van overdracht van informatie. Dat zijn de vormen die:
  • veel interactiviteit vergen tussen leerling(en) en docent;
  • enthousiasmerend zijn;
  • vergezichten bieden;
  • inspelen op het leerproces van de leerling (wat begrijpt hij/zij wel/niet?, welke verdieping/uitleg heeft hij/zij nodig?).
Docenten maken verder deel uit van een vakgroep. Binnen deze vakgroep zijn de docenten van deelnemende scholen voor persoonlijk onderwijs verantwoordelijk voor de inhoud van hun vak in het geautomatiseerde leersysteem. Tekortkomingen in dat systeem mogen niet worden opgevangen met individuele uitleg van docenten, maar moeten worden verbeterd. Inspanningen van docenten voor dit gezamenlijke curriculum van de scholen voor persoonlijk onderwijs, willen we extra belonen.

De keuze voor een herwaardering van de docent betekent dat we daar ook veel verantwoordelijkheid bij leggen. We hebben slechts een zeer dunne managementlaag, er is slechts in deeltijd een conciërge aangesteld en het ICT beheer is uitbesteed.

Van docenten wordt in hun rol van mentor dan ook een sterke mate van betrokkenheid bij hun leerlingen verwacht. Daarbij worden docenten wel sterk ondersteund door het geautomatiseerde leersysteem – immers tevens zeer gedetailleerd leerling volgsysteem. Er is bijvoorbeeld weliswaar geen conciërge voor laatkomende leerlingen, maar de registratie van laatkomers vindt wel degelijk direct en automatisch plaats.

Van docenten verwachten we dat ze veel verantwoordelijkheid nemen. Als bijvoorbeeld een laptop van een leerling het begeeft, is het aan de docent om een (gereedliggende) nieuwe laptop aan de leerling te geven. Er is immers geen ICT-beheerder aan wie dit kan worden doorgeschoven. Een dunne managementlaag betekent dat docenten meer ruimte hebben, maar die ruimte moet dan wel verantwoordelijk worden ingenomen. Het management blijft op afstand en stuurt op resultaat.

Wij willen docenten aannemen die:
  • goed zelfstandig opereren;
  • hoge mate van verantwoordelijkheid nemen voor het leerproces;
  • prettige omgang met hun leerlingen onderhouden;
  • prestatiegericht zijn;
  • het goede voorbeeld geven door ook zelf te leren;
  • onderwijsvernieuwingen omhelzen als het om aantoonbare verbeteringen gaat (en anders niet);
  • onze kleine klassen aangrijpen voor verdieping van de lessen (niet slechts voor verlichting van het werk);
  • bereid zijn om zich ook in andere vakken verdiepen, om bij deze andere vakken tenminste op voet van gelijkheid met de leerlingen te komen.
Bij de herwaardering van de docent kan de Onderwijs CAO beperkend werken. Die CAO pint de docent vast op een positie van uitvoerend ambtenaar, wat niet strookt met onze ambitie om het docentschap meer aanzien te geven. Bovendien is de Onderwijs CAO zeer discriminerend voor jonge docenten. Wij streven er daarom naar om naast het standaard contract op basis van de CAO ook een alternatief contract te kunnen bieden dat recht doet aan de herwaardering van het docentschap. Met dat contract willen we nog beter kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. We doen dat door docenten onder meer te bieden:
  • Beperkte werkdruk door kleine klassen;
  • Minder stress in de (jaar)planning door ruime onderwijstijd;
  • Hoger salaris dan de CAO;
  • Groeimogelijkheid via extra managementtaken;
  • Resultaatdeling door extra vergoedingen voor bijdragen aan het curriculum.
Dat alles naast de belangrijkste secundaire voorwaarde: een prettige sociale sfeer op een kleinschalige school. 

Behalve betere te concurreren op de arbeidsmarkt willen we hiermee ook proberen om meer mensen te stimuleren te kiezen voor een baan in het onderwijs (als het even kan bij ons uiteraard).

Werven van leerlingen

Vaak krijgen we meer aanmeldingen dan we kunnen plaatsen. Onze aantrekkingskracht schuilt precies in onze kleinschaligheid: vooral de kleine klassen worden positief gewaardeerd. Om onze kleinschaligheid te bewaren kunnen we jaarlijks maximaal 80 leerlingen aannemen - en dat dan alleen als de verdeling naar schoolsoort (Mavo/Havo/Vwo) van de aanmeldingen enigszins in evenwicht is.

Ofschoon we relatief populair zijn, mogen ons niet rijk rekenen. Er zijn namelijk wel degelijk risico´s aan de onderkant. Er is best een drempel om je kinderen daadwerkelijk aan te melden voor een nieuwe school. Bovendien zal Zeeland met een dalend aantal jongeren te kampen gaan krijgen. Reden temeer om een goede ‘public relations’ te onderhouden. We zullen in elk geval gemiddeld 65 leerlingen per jaar moeten werven. Dit is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de schoolleiding.

Onze school onderscheidt zich mede door de mogelijkheden om door te stromen van Vmbo naar Havo, van Havo naar Vwo en van Vwo naar Vwo+. Dat betekent dat we extra interessant zijn voor leerlingen die tegen een volgend niveau aan zitten. Dat wil zeggen leerlingen met een Vmbo-t-advies die mogelijk kunnen doorgroeien naar Havo of die in elk geval enkele vakken op dat niveau kunnen volgen. Hetzelfde geldt voor Havo- en Vwo-adviezen. Bijkomende bonus is overigens dat het doorgroeien van leerlingen naar een volgend niveau door de onderwijsinspectie positief beoordeeld zal worden, hetgeen een toegevoegde waarde is in de ‘public relations’.

Leerlingen met een Vmbo-t-advies kunnen we uitsluitend aannemen als er goede kans bestaat dat ze doorgroeien. We zijn immers een school voor Havo en meer en mogen geen Vmbo-t aanbieden. In de praktijk zullen leerlingen die het bij ons onverhoopt toch niet redden, naar een andere school moeten omzien. Aan het eind van leerjaar 1 krijgen ouders daarover een eerste advies, halverwege leerjaar 2 volgt een definitieve beoordeling. Leerlingen die het Havo niet redden, krijgen dan een alternatief programma aangeboden om vakken (m.n. Economie) die ze nog niet of onvoldoende gehad hebben, bij te spijkeren.

Voor het aannemen van leerlingen is belangrijk dat basisscholen een gedifferentieerd schooladvies kunnen geven, zodat valt op te maken of leerlingen tegen een volgend niveau aan zitten. Een taak voor de directie is om hierover met ´aanleverende´ basisscholen afspraken over te maken.

Waar we in de werving meer aandacht aan moeten besteden zijn de kansen die we Vwo- en Gymnasium leerlingen bieden. In tegenstelling tot andere scholen blijven deze leerlingen zeer zelden zitten (ons doublure percentage van bijna nul is landelijk het laagste), bieden we extra vakken, meestal een dubbel profiel en ook nog eens bachelor vakken voor een latere universitaire studie. De kans dat een leerling met een Vwo-advies geen Vwo haalt is bij ons ook nog eens uitzonderlijk laag. Als de eerste examenresultaten van de eerste lichting Vwo'ers bij de Isaac Beeckman Academie bekend zijn, is het zinvol om die onder de aandacht te brengen.

Aandachtspunt voor de communicatie is tenslotte dat onze wetenschappelijke benadering van het onderwijs nog weinig bekendheid geniet. We zijn vooral de school met kleine klassen en dat is maar een deel van het verhaal. Ook dat wel deel uitmaken van een netwerk van scholen die elkaar onderling versterken en ervaring en kennis uitwisselen kan voor de werving duidelijker naar voren gebracht worden.

Bestuur

Leidraad voor het schoolbestuur de komende periode is dat de school in 2024 overgedragen moet kunnen worden aan een bestuur van direct betrokkenen. Dat wil zeggen onder meer bestaande uit een vertegenwoordiging van ouders en een vertegenwoordiging van docenten. Wel zal ook de Stichting voor Persoonlijk Onderwijs bestuurlijk betrokken blijven om de kwaliteit van onderwijs goed te borgen. Dit doel betekent dat de schoolorganisatie eenvoudig moet zijn. Het bestuur zal straks immers bestaan uit mensen die weliswaar betrokken, maar mogelijk ook bestuurlijk onervaren zijn. Dit stelt duidelijke eisen aan de organisatie en betekent in het bijzonder dat wat niet tot de kerntaken van de school behoort, waar mogelijk uitbesteed moet worden.

Streven is om tot de beste scholen van Nederland te behoren waar het gaat om doorstroming naar hogere niveaus en voorbereiding op vervolgopleidingen. Het bestuur zal meetinstrumenten moeten ontwikkelen om de realisatie van dit streven te kunnen volgen. De onderwijsinspectie biedt enige informatie, maar publiceert helaas nog niets over de toegevoegde waarde van middelbare scholen. Dat wil zeggen: in hoeverre helpt een school zijn leerlingen tenminste het basisschooladvies te halen, liefst nog iets daar boven en liefst zonder teveel vertraging. Het bestuur zal proberen om met de SvPO deze informatie te verwerven en een landelijke 'benchmark' op te stellen. 

Verder stopt de inspectie met informatie over de ontwikkeling van leerlingen op het moment dat het echt interessant wordt: na het eindexamen. Er moet daarvoor een meetinstrument worden opgesteld dat de ontwikkeling na het eindexamen volgt. Hoe doen onze leerlingen het in hun vervolgopleiding? Welke verbeteringen zijn er mogelijk in ons onderwijs? Het streven is om afspraken te maken met Hogescholen en universiteiten om te voorzien in deze informatie.