Interview met Algemene Rekenkamer

Gespreksverslag Isaac Beeckman Academie
Datum: 3 juni 2013
Aanwezig: Misha van Denderen (bestuurder Isaac Beeckman Academie en Stichting voor Persoonlijk Onderwijs)
Sicco van As, Marijn Sax

Misha van Denderen vertelt dat een idee dat centraal stond bij de oprichting van de Isaac Beeckman Academie was om meer te doen met publieke middelen. De school bevindt zich nog in de opstartfase, eigenlijk moet dit gesprek vijf jaar later plaatsvinden.

De school is net gestart en de huisvesting is doorgedecentraliseerd (Van Denderen vertelt dat de stichting in totaal vier of vijf scholen zoals de Isaac Beeckman Academie wil opzetten en dat men in dat proces ook ervaart dat gemeenten vooral happig zijn als de stichting aangeeft voorstander van doordecentralisering te zijn). Als startende school maakt men logischerwijs  opstartkosten, ook vanwege de doordecentralisering (deel van de voorfinanciering vindt plaats met privaat vermogen). Op de lange termijn is doordecentralisering echter een geweldige optie, je bent daarmee onafhankelijk van de grillen van een gemeente. Alleen de start kan lastig zijn omdat een deel uit eigen zak bekostigd moet worden. 

Van Denderen merkt op dat men op de Isaac Beeckman Academie helemaal niet denkt ‘dat er geld bij moet’. Met de financiering van het ministerie komt men goed uit. Van As merkt op dat die opmerking nogal afwijkt van wat de Algemene Rekenkamer tot nu toe heeft gehoord van scholen en van schoolbesturen. Van Denderen wijst op de klassengrootte. Op de Isaac Beeckman Academie zijn de klassen niet groter dan 16 leerlingen. De organisatie van de school is extreem simpel en overzichtelijk. Van Denderen kan nu al vertellen hoe de lesroosters er over vijf jaar uit zullen zien. Door die simpele organisatie en overzichtelijkheid is er sprake van enorm veel continuïteit, wat weer tot gevolg heeft dat men zeer strak en accuraat kan begroten. Mede daarom neemt de school ook exact 80 leerlingen aan (terwijl er veel meer vraag is: “de aanmeldingen stromen binnen”). Als het leerlingenaantal door de jaren heen fluctueert, moet je als school pieken accommoderen en vervolgens ook weer het dal na de piek opvangen. Dat alles zou de continuïteit doorbreken en die continuïteit is nu juist zo belangrijk.

Door die overzichtelijkheid kan men zoals gezegd zeer strak roosteren, waardoor men een kleiner gebouw dan een ‘normale’ school kan gebruiken. Daarnaast is weinig overhead nodig en is er een (principieel) onbezoldigd bestuur. Van Denderen geeft aan dat men de docent weer echt het werk wil laten doen. De docent moet nog net geen koning in de klas zijn. Van As vraagt of docenten wellicht minder lesuren dan gemiddeld hebben. Dat is zeker niet het geval volgens Van Denderen. Bovendien brengen docenten hun niet-lesuren door op school. Daardoor vindt meer informeel contact plaats dan normaal, wat de noodzaak tot formeel contact weer verkleint. Ook worden vakken soms ‘geconcentreerd’ in één jaar [geschiedenis zou bijvoorbeeld heel veel gegeven kunnen worden in jaar 1 maar niet in jaar 2 en voor biologie kan precies het omgekeerde het geval zijn, MS]. Docenten werken hierdoor intensief met een kleine groep leerlingen, waardoor de docent de leerlingen écht persoonlijk kent. De verkleining van de klassen verlaagt zo de werkdruk van de docent, zo heeft een docent bijvoorbeeld ook minder nakijkwerk.

Van As vraagt of de ‘concentratie’ van vakken een probleem kan vormen voor kinderen die overstappen naar een andere school. Van Denderen geeft aan dat de aansluiting hierdoor soms niet optimaal is. Men monitort en meestal gaat het wel redelijk. Later instromen op de Isaac Beeckman Academie kan echter lastig zijn omdat leerlingen halverwege de bovenbouw in wezen een jaar voorliggen met Engels en [nog een vak]. Daarnaast is er nog de ‘sociale factor’; de school is klein en daardoor ook hecht, later instromen kan dan lastig zijn.

Van Denderen noemt als belangrijkste potentiële winst van het schoolconcept dat er minder zorg nodig is, de docenten kennen de leerlingen immers zeer goed, hebben veel contact met de leerlingen en hebben meer tijd per leerling. “De gemiddelde Asperger/autist kan op onze school meekomen”, ook weer vanwege die duidelijkheid, structuur en het overzicht dat voortvloeit uit het schoolconcept. Zo’n leerling hoeft dus niet zonder meer naar het speciaal onderwijs. Daarop aansluitend vertelt Van Denderen dat wanneer een rugzakleerling binnenkomt in de school men eerst kritisch kijkt of men het ook af kan zonder die rugzak. Men weigert zelfs lwoo-budgetten. “Je haalt met zo’n lwoo-budget allemaal ambulante zorg binnen in je school.”

Het is niet de bedoeling dat docenten meerdere vakken geven aan de Isaac Beeckman Academie. Juist niet, als een docent één vak geeft betekent dat juist dat de docent zich meer kan verdiepen.

“In jullie terminologie van ‘knoppen om aan te draaien’ kun je zeggen dat dé knop de eenvoud van de organisatie is.” Dat levert wel veel scherpe keuzes op. Zo wordt bijvoorbeeld niet een vak als ‘muziek’ aangeboden, maar wel filosofie en tekenen. Een bijkomend voordeel is dat je door die scherpe keuzes ook de ruimte schept om meer de diepte in te gaan met de vakken die je wél aanbiedt. Kunnen leerlingen dan wel voor de bekende pakketten (profielen) kiezen? Dat is deels het geval zegt Van Denderen. Hij noemt het voorbeeld van wiskunde. Het is natuurlijk ideaal als je als docent voorbeelden kan geven die aansluiten op andere vakken (zoals aardrijkskunde of economie). Daarom is het aan de Isaac Beeckman Academie zo dat leerlingen die Wiskunde A kiezen ook allemaal economie volgen en leerlingen die Wiskunde B kiezen ook allemaal natuurkunde volgen. Docenten kunnen op die manier bij elke leerling op bepaalde vakgebieden eenzelfde mate van voorkennis veronderstellen en dus ook toegespitst daarop lesgeven. Door deze eisen en slim roosteren volgt elke leerling automatisch één vak extra (waar overigens niet verplicht eindexamen in gedaan hoeft te worden) en vindt de facto pas een jaar voor het eindexamen de echte profielkeuze plaats.

Wat betreft de kosten geeft Van Denderen aan dat het wel essentieel is dat men ook echt 4 a 5 scholen start (er is inmiddels voor vier scholen toestemming van de minister), dit met het oog op grote investeringen in iets als ICT. Met één kleine school zijn de investeringen niet te dekken.

Van As vraagt of een school als de Isaac Beeckman Academie alleen mogelijk is in gemeenten waar sprake is van doordecentralisering? Dat is volgens Van Denderen niet per se het geval. In de praktijk pakt het echter wel zo uit. De lokale politiek trekt zijn handen af van een nieuwe school. De stichting biedt dan aan bereid te zijn tot doordecentralisering, zodat de gemeente in principe geen omkijken meer heeft naar de school en de stichting ook zelf wat investeert in de school. En, zoals eerder gezegd, levert doordecentralisering op de lange termijn veel voordelen op voor de school zelf.

Van As vraagt hoe het zit met de kleine schaal van de school en bouwprojecten. De Algemene Rekenkamer hoorde eerder dat een groot schoolbestuur daar zelf de benodigde kennis voor in huis heeft, maar dat éénpitters vaak extern kennis moeten inkopen. Van Denderen geeft aan dat het belangrijk is om “dicht bij de gemeente aan tafel te zitten” en waar mogelijk slim te zijn en ambtenaren en deel van het werk te laten doen. Het hoeft ook niet altijd lastig te zijn, bijvoorbeeld als je in een gebouw trekt wat alleen verbouwd hoeft te worden.

Zijn er geoormerkte gelden die men anders besteed zou hebben als de gelden niet geoormerkt zouden zijn? Van Denderen zegt dat nog niet veel subsidies zijn aangevraagd. Bij een renovatie vroeg de Isaac Beeckman Academie de subsidie binnenmilieu aan, maar die sloot aan bij wat men toch al deed qua renovatie. Van As vraagt door naar gelden zoals die voor de maatschappelijke stage. Van Denderen wijst nogmaals op de eenvoud als kern van hun onderwijsconcept. Die eenvoud zit ook in het accommoderen van uitvloeisels van het hele politieke proces, zoals de maatschappelijke stage. Zo is het vak filosofie verplicht vanaf jaar één. Iets als maatschappelijke stages of lessen burgerschap kun je integreren in zo’n vak. Of de maatschappelijke stage kan gecombineerd worden met het verplichte vak ‘oriëntatie studiekeuze en arbeidsmarkt’. Bovendien betekent zo’n combinatie dat je meer body kunt geven aan een vak. Het zijn dit soort combinaties die er mede voor zorgen dat je publieke middelen effectiever kunt inzetten.

Hoe zit het met aanvullende inkomsten? Het schoolgebouw wordt soms verhuurd. En het ‘bestuurskantoor’ is gevestigd in een kerk die wordt gedeeld met anderen. Verhuur kan in de avonduren nog wel plaats blijven vinden maar levert niet meer geld op. Is vooral handig om good will te kweken bij de gemeenschap. Dit kan – zeker lokaal – goed van pas komen als je bijvoorbeeld een vergunning nodig hebt, de gemeente is dan soms toch wat soepeler. Naast geld in verband met doordecentralisatie kan Van Denderen geen echte andere aanvullende inkomsten bedenken. 

Aan de uitgavenkant vraagt Van As naar sportaccomodaties. Van Denderen vertelt dat de school die in Friesland wordt opgezet gebruik kan maken van een sporthal die er al staat en die voor een maatschappelijk tarief gehuurd kan worden. 

De BAPO-regeling komt nog ter sprake. Scholen zijn eigen risicodrager, wat betekent dat ze hier potjes voor moeten inrichten als een soort voorzieningen die je niet als privaat vermogen kunt zien. Dit soort voorzieningen per school regelen is relatief inefficiënt zegt Van Denderen. Een bestuur als OMO kan dat intern waarschijnlijk nog wel redelijk efficiënt coördineren, maar eigenlijk zou je alles gewoon op één grote hoop moeten vegen voor echte efficiëntie. “Reserves beheren kan effectiever met z’n allen.”
Van As vraagt of iets als dyslexietrainingen wel worden ‘ingevlogen’? Dyslexietrainingen zijn volgens Van Denderen eigenlijk niet eens nodig omdat dat ook goed gaat zonder. Op grotere scholen zie je dat kinderen met dyslexie tegen hindernissen aanlopen omdat kleine, simpele dingen niet goed geregeld worden of vergeten worden. Wederom geldt dat vanwege de eenvoud en kleinschaligheid die voortvloeit uit het schoolconcept dat soort kleine dingen die leerlingen met dyslexie nodig hebben wel gewoon worden opgepikt. (Denk aan het beschikbaar hebben van teksten etc. in een grotere puntengrootte.) 

Van Denderen geeft aan dat vaak aan verwachtingsmanagment gedaan moet worden bij ouders, die verwachten soms wonderen. Soms melden ouders ook leerlingen aan die overduidelijk thuishoren op het speciaal onderwijs.

Wat betreft verantwoording ziet Van Denderen geen echte problemen. Verantwoording van lumpsumgeld is gewoon normaal accountantswerk. Subsidies vraagt de Isaac Beeckman Academie zoals gezegd eigenlijk alleen aan als het echt zo uitkomt. Aan iets als Europese subsidies begint men niet. Van Denderen kijkt uit naar het moment dat de talloze projectsubsidies worden afgeschaft.